't Meulengat, vondst watermolen.

Huidige vis- en schaatsvijver 't Meulengat in het Raamdal, vindplaats van de 12-eeuwse Watermolen.
In 1984 besluit Gemeente Grave het natuurgebied 'De Broekse Wielen' op de Vogelshoek te verkopen aan Staatsbosbeheer. Het geld dat men hiervoor krijgt zou gebruikt gaan worden voor een nieuw aan te leggen en plaatsvervangend natuurgebied in Escharen. Als locatie werd hiervoor het Esters Broek, het Raamdal, gekozen.
De verkoop van de Broekse Wielen hield voor de Escharense mensen in dat dit gebied wel voor het publiek toegankelijk bleef maar dat er niet meer gevist of geschaatst mocht worden. Dorpsvereniging E.Z.V. heeft zich toen ingespannen om hiervoor een vervangende vijver te krijgen. De Gemeente stemde hiermee in en in het plan Raamdal werden vier vijvers opgenomen.
Vijver A, die het dichtst bij de bebouwde kom komt te liggen krijgt de functie van vis- en schaatsvijver.
De andere drie vijvers, B, C en D komen achter de Hooge Raam te liggen en krijgen de functie van vogel- en rietvijver. Het zand dat uit de te graven vijvers komt wordt gebruikt om de verderop aan de Karweg gelegen vuilnisbelt, te bedekken en op te hogen.

Na werktijd, 's avonds en in het weekend als de afgraving door de draglaine stil ligt, kunnen de amateurarcheologen aan het werk. Vanuit het dorp is er veel belangstelling.
In 1985 begonnen de graafwerkzaamheden. Al heel snel werd duidelijk dat er kleurverschillen in de aarde te zien waren en kwam er opvallend veel turf omhoog.
Wethouder Jo van den Hoogen volgde uit persoonlijke interesse de opgravingen op de voet. Al snel zag hij dat er wel heel bijzondere sporen te zien waren. Toen er ook nog scherven en dergelijke met het zand naar boven kwamen wist hij dat het om een archeologische vondst zou kunnen gaan. Hij waarschuwde hierop de amateurarcheologen Martien Koolen, Jo de Wit en Theo Bertissen uit Grave.
Deze amateurarcheologen gingen, aangevuld met leden van de heemkundegroep en andere enthousiaste dorpelingen, meteen aan de slag.
Ze brachten alles in kaart en verzamelden en noteerden de gevonden voorwerpen. Naar aanleiding van hun gegevens hebben er later verschillende publicaties plaatsgevonden.
Opname van de opgravingen in 1985.
De vondst van de 12de-eeuwse watermolen is dermate uniek dat er verschillende publicaties over zijn verschenen. De gevonden watermolen werpt niet alleen een nieuw licht op functie en techniek van een middeleeuwse watermolen, maar vertelt ons ook iets van de historie van het dorp Escharen.
Wij hebben er voor gekozen om ons niet te wagen aan samenvattingen van deze publicaties maar ze hieronder in zijn geheel weer te geven.
Een 12e-eeuwse watermolen in de vijver
Henk Buijks, BHIC nov. 2009
In oktober 1985 werd net buiten de bebouwde kom van Escharen een visvijver gegraven.
Bij het graven stuitten amateur-archeologen op de resten van een bijna vierkante constructie. Het was het bewijs dat meer dan 700 jaar geleden hier, aan een oude loop van de Raam, een watermolen draaide om koren te malen en olie te persen.
Het graafwerk van 1985 vond plaats op de westelijke oever van de Graafse Raam ten zuiden van de Beerschemaasweg vlakbij de brug. Eerst vonden de gravers aan de oostelijke rand van de vijver de resten van een knuppelweg en fragmenten van een beschoeiing. Daarna vonden ze ook een paar palen die deel moesten hebben uitgemaakt van een bijna vierkant bouwsel.
In maart 1986 werd die constructie verder blootgelegd. Erbinnen lagen fragmenten van molenstenen, wat munten, aardewerk, bewerkt hout en stukjes leer. De vindplaats lag in een inmiddels opgevulde oude arm van de Raam. De vondsten en de vindplaats wezen overduidelijk op een watermolen. Niemand had daarvan het bestaan vermoed!
Het moet een molen van het onderslagtype zijn geweest. Dit type molen werkt met een onderslagrad, waarbij het water onder het rad doorstroomt en daarbij steeds de onderste schoepen raakt. Onderslagmolens worden aangetroffen bij riviertjes en beken met een gering verval en een trage stroming, maar wel redelijk veel water. De Raam behoort tot dit type waterloop.
Dankzij de vondsten in de directe omgeving van de molenrestanten kon de watermolen gedateerd worden in de 12e eeuw. Die datering klopt met de eerste vermelding van een watermolen in Noord-Brabant, namelijk die van Stipdonk in 1179. De oudste watermolens in Nederland stammen van rond het jaar 1000.
De molen in Escharen was een combinatie van een koren- en oliemolen. Het schoepenrad en de molenstenen waren van veel kleiner dan die in nog bestaande oude watermolens. Het vermogen was dus gering. De Escharense watermolen had wat formaat betreft veel overeenkomsten met de allereerste onderslagmolens uit de Romeinse tijd die onder andere in Italië zijn opgegraven.
Martien Koolen, Jo de Wit en Theo Bertissen, 1985
Een 12e-eeuwse watermolen uit Escharen
Over de molen verscheen een gedetailleerde studie van molendeskundige J.M.G. Scheirs en de provinciaal archeoloog W.J.H. Verwers: Een 12-eeuwse watermolen uit Escharen, Bulletin K.N.O.B. jaargang 87, nummer 2 (1988):


Wethouder Jo van den Hoogen, toont hier een bodemvondst van iets wat later een onderdeel van watermolen blijkt te zijn.
Raamdal in 1850.
Hier is nog goed de oude loop van de Raam te zien. Met een ster staat aangegeven waar de resten van de 12-eeuwse watermolen gevonden is.

Kadasterkaart uit 1875: goed te zien is de afsnijding van de lus in de Raam en verplaatsing van de brug.
Uitgraving van de oude Raamloop.

Enkele amateurarcheologen aan het werk.
Is de watermolen van Escharen rond het jaar 1160 naar Mill verplaatst?
In het boek; 'Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1129-1592)' van B.j.P. van Bavel lezen we, voor de geschiedenis van de Escharense watermolen, een interessante passage:
'De heer van Cuijk bezat in Mill inderdaad een watermolen, die hij in 1310 aan Mariënweerd afstond, met de toestemming hem desgewenst door een windmolen te vervangen. In de goederenlijst van circa 1360 is er echter nog steeds sprake van een watermolen, die overigens kort daarop, nadat de abdij hem in 1383 verpandde, voorgoed uit de Mariënweerdse archiefbronnen zou verdwijnen.
Dat in deze streek ook voordien al watermolens in gebruik waren, blijkt uit de archeologische vondsten in het enkele kilometers van Mill gelegen Escharen. Hier werden resten van een watermolen, die zowel geschikt was voor het malen van koren als voor het persen van olie, en die dankzij bijbehorende vondsten van aardewerk, munten en leer als 12de -eeuws
valt te dateren. Misschien tengevolge van het verzanden van de waterloop, is deze molen vanaf de 12de eeuw niet meer gebruikt.
Heeft de Heer van Cuijk, die het recht van de banmolen in het Land van Cuijk bezat, en waarschijnlijk eigenaar van deze molen was, deze molen van Escharen naar Mill laten verplaatsen? In dat geval heeft deze verplaatsing wellicht rond het jaar 1160 plaats gevonden, zodat deze watermolen daarna naamgevend voor Pisla/Mill is geworden.'
Bovenstaande aanname door van Bavel, is ons inziens heel waarschijnlijk. De watermolen in Escharen bij de Raam moet daar jaren volop gefunctioneerd hebben, wat blijkt uit honderden kilo's resten van molenstenen van verschillende diktes. Aangezien de Heren van Cuijk hierover de 'heerlijke rechten' hadden was dit voor hen een flinke bron van inkomsten. Als dan door verzanding van de Raam deze molen niet meer kon functioneren en dus ook geen geld meer opbracht, is het een logische oplossing deze molen te verplaatsen naar een gebied wat ook hun eigendom was en waar nog geen molen stond. En slechts op een 8 km afstand gelegen was. Hiervoor werd 'het goed Pisla' gekozen, vanaf 1166 wordt dit gebied 'Millen' genoemd. Welke naam verwijst naar molen.

Vis- en schaatsvijver 't Meulengat aan de Karweg in het Raamdal,
vindplaats van de 12e eeuwse watermolen.