Wolvenjacht in Escharen


Een jagersgroep op wolvenjacht: de drijvers, voornamelijk boeren gewapend met gaffels, en de schutters.


Wolven kwamen hier in dit gebied, zoals trouwens in heel Brabant, veelvuldig voor. Het grondgebied leende zich daar met uitgestrekte heidevelden, moerassen en de Peel, uitstekend voor. Deze wolven waren een bron van gevaar voor mens en dier. Vooral het vee op de boerderijen (koeien, paarden, kippen, ganzen) en de herders met hun schapen hadden last van de hongerige wolven.

Al in de jachtwet van 1464 werd aan een herder toegestaan: " hy dien hont mach laeten loepen nae enen wolf sonder gecalengiert te syne". De jacht op een wolf is altijd vrij gebleven, het doden van een wolf werd voor iedereen toegestaan en zelfs door het uitloven van premies bevorderd. 

Voorschriften voor het uitroeien van wolven werden ook al onder Karel de Grote uitgevaardigd.


 

Toen in de 17e eeuw de wolvenplaag te erg werd ging men er alles aan doen om dit roofdier te bestrijden. Men ving wolven met klemmen, strikken en valkuilen. Het graven van deze 'wolfscuule' of 'wolfskuilen' is een oeroude vanggewoonte voor gevaarlijk wild. Er werd een kuil gegraven met daarin aangepunte palen. Zo'n valkuil werd dan weer met takken toegedekt. Een wolf eenmaal in zo'n kuil gevallen werd afgeschoten.

Ook Escharen had zo'n gebied met wolfskuilen. Op bovenstaande landkaart uit 1760 is deze naam te zien. Het omvat het tegenwoordige gebied van de Vogelshoek, het Rot en de Zwarte Wiel.

Toentertijd was dit grondgebied vanwege de Beersche Maas, helemaal met dijken omgeven. 


Wolfskuil in Escharen 1760

Wolfskuil in1850

 

 De naam 'Wolfs Kuyl' is als aanduiding voor dat gebied in Escharen jammer genoeg niet blijven bestaan.

We spreken nu in 2015, nog wel van de  'Vogelshoek' en de  'Zwarte Wiel'. De namen 'Heihoek' en 'Middelrot' worden echter steeds minder vaak gebruikt.

 

Andere veldnamen die verwijzen naar wolven hier in deze regio zijn 'den Hoogen Wolfskampen' en de 'Lage Wolfskamp' in Gassel.

Verderop tussen Beers en Gassel gelegen, werden percelen grond genoemd  'in Den Wolfshoek'.

(Zie afbeelding hiernaast)

Verder lag bij de Achterdijk in Mill,  ''De Wolfsberg' en daarbij de 'Wolfsbergseweg'.

 

Om het uitroeien van de wolven te bevorderen werden er premies uitgeloofd. In 1611 worden deze premies echter verlaagd vanwege het groot aantal wolven dat geschoten werd. De premies waren in het jaar 1730: 6 gulden voor een volwassen dier en 3 gulden voor een welp. Dat was een enorm bedrag voor die tijd. Door de boeren was er dus behoorlijk wat geld te verdienen aan het doden van een nest jonge wolven. Ook de jachtwet in 1814 voorziet nog in het uitloven van premies voor gedode wolven.


Prent met diverse aspecten van de individuele wolvenjacht: gebruik van lokaas, speurhonden, wipgalg, loerjacht met geweer....


Om de wolvenplaag tegen te gaan besloot het landsbestuur om generale wolfsjachten te organiseren. Met een gezamenlijke aanpak hoopten men meer resultaat te boeken. De kosten die voor zo'n klopjachtpartij gemaakt moesten worden, werden door de gezamenlijke dorpen gedragen.

In 1685 werden hiervoor grote wolfsnetten gemaakt en elke gemeente beschikte over een aantal netten. Deze netten werden bij de algemene drijfjachten die in het gehele Land van Cuijk tussen 1685 en 1729 waren, gebruikt en werden onder andere opgesteld tussen het Gasselse en het Bordse bos.
Bij deze drijfjachten werden de wolven in het Land van Cuijk vanuit Maashees, Holthees en Overloon vanuit de vrijwel boomloze heidevelden naar de dun beboste rand van de Peel noordwaarts gedreven.

De drijvers gebruikten rieken, stokken en trommen en in een soort levende keten liep men schreeuwend en slaand naar de volgende dorpen. Hier werd de keten overgenomen totdat de wolven op het einde van de dag in de fuiken en wolfsnetten, opgesteld in de bossen van het Bord en het Gassels bos, liepen en afgemaakt werden.

Er werd zelfs in 1685 een officieel reglement opgesteld en dat werd in alle dorpen, in het Land van Cuijk, voorgelezen. De bewoners waren verplicht daaraan mee te doen anders kreeg men een flinke boete. Veel keus hadden de boeren trouwens niet want hun dieren waren een kostbaar bezit, hun middel van bestaan.

Ieder gezin moest één man leveren. Had men een paard dan moest men komen met het paard en een 'snaphaan', kruit en kogels voor minstens zes schoten. Andere gezinnen stuurden één man met met spies en gaffel.

De mannen moesten tussen de 16-60 jaar oud zijn en mochten tijdens de klopjacht geen ander wild of gevogelte schieten, alleen wolven of vossen.

Zo'n klopjacht begon in alle vroegte om 4.00 uur,

door het luiden van de kerklokken. Binnen 2 uur nadat alarm geslagen was moest men zich verzameld en aangemeld hebben.

Na het melden bij de jachtopziener vertrok men naar de afgesproken plaats.

Schermafbeelding2015-11-21om095430.png

De wolfsnetten van Cuijk zijn bewaard gebleven en zijn thans in het Openluchtmuseum te Arnhem.

Wie zich niet aan de bevelen hield, werd gestraft door het betalen van één of meer gouden guldens en daarboven bier voor degenen die wel meededen.

Tussen het Gasselse en Bordse bos werden de wolfsnetten gespannen. (zie afbeelding hieronder)

Deze netten waren ieder wel 40 meter lang en 2,5meter hoog. Ook de bossen werden omspannen met wolfsnetten.

In de Schoutsarchieven is een draaiboek gevonden voor de wolvenjacht van 5 mei 1724. Er moesten omdat er zoveel dorpen bij betrokken waren, duidelijke afspraken gemaakt worden.

Om 6 uur 's morgens beginnen met drijven vanuit Maashees, Holthees, Vierlingsbeek en Sambeek naar de bossen van Overloon en dan verder neerwaarts over de peel naar de St. Anthonisse Peel tot aan de Beugense en Leekerse Peel. De drijvers van Beugen, Rijkevoort en Leeker doorzoeken het Berkenbosch en sluiten bij de anderen aan om 8 uur.

Drijvers van Cuijk, Heeswijk, Agatha, Groot en Klein-Linden, Beers, Gassel, Tongelaar en Escharen verzamelen zich al om 6 uur bij de Kleijne Geest en het Geestenbosch om een aanvang te nemen.

Drijvers van Langenboom en Hal doorzoeken de bossen en begeven zich naar het 'Bordschen Bosch', terwijl die van Haps vanaf 8 uur de bossen en wildernissen zullen 'doorjaegen' en daarna aansluiten.

Drijvers van Mill, Wanroy en St. Hubert beginnen om 7 uur de bossen te bezetten en moeten dan verdere orders afwachten.


Kaart 1760: Tussen het Gassels Bosch en het Bordsen Bosch werden de wolfsnetten gespannen.


W. H. Th. Knippenberg, 'Wolvenjacht in Noord-Brabant', Brabants Heem 5 (1953)

Knippenberg schreef in 1953 en artikel over 'Wolvenjacht in Noord-Brabant' in Brabants Heem. Tegenwoordig spreken we over de terugkeer van de wolf in de natuur ovewegend als een positief gebeuren, in 1953 dacht men daar heel anders over:

Onder de roofdieren die in wilde staat in Noord-Brabant voorkomen, treffen we heden ten dage gelukkig de wolf niet meer aan. Eeuwenlang heeft echter de bevolking deze wilde rover in de onmiddellijke omgeving gekend en het schijnt, dat vooral gedurende het laatste deel van de 17de en de eerste helft van de 18de eeuw van een ware wolvenplaag in onze provincie mag worden gesproken.

Hij geeft een aantal vermeldingen van wolven, wolvenvangsten en premies voor het vangen en doden van wolven.
Over het land van Cuijk werd geschreven: 'also eenige jaeren herwaerts het ruijneus beest den wolff seer is vermenighvuldigt en (..) groot schade toebrengt en dat de particuliere jaghten door wanorde veeltijts vrugteloos zijn'.

 

Lees hieronder artikel van Knippenberg: Wolvenjacht in Noord Brabant. In dit artikel wordt ook de burgemeester van Escharen, Baron van Hövell tot Westerflier, aangehaald. Deze was een fervent jager en hij heeft tijdens zijn ambtsperiode hier in Escharen, onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de wolvenjacht in deze omgeving.

 


Een aantal jaren achtereen werden er wolvenjachten gehouden daardoor nam de overlast van het 'ruijneus beest den Wolff' iets af. Op 15 december 1815 werd hier in de omgeving de laatste drijfjacht gehouden. 

Toch schijnt het resultaat niet optimaal te zijn geweest, want wederom werden er in de omgeving schapen verscheurd. De burgemeester van Mill schrijft in 1818 nog een brief naar de provincie waarin hij aangeeft, dat wolven een anderhalf jarige os hebben aangevallen en tussen de 30 en 40 ponden vlees van de linker achterbil hadden afgeknaagd. Niet veel later was een maalkoe het slachtoffer.

Er werden strenge maatregelen genomen. De provincie maakte zich erg ongerust. Het volgende besluit werd genomen:

- Alle ingezetenen werden gelast hun vee ’s avonds binnen te halen en op te sluiten, op een boete van 3 gulden.

- Iedere avond moet er een schaap in een wei of op een open plaats, waar de wolf misschien zou kunnen komen, aan een paal vastgebonden worden gedurende de hele nacht.

- Bij toerbeurt moeten drie bekwame schutters op een afstand de wacht houden met hun geweer om de wolf te doden, wanneer die op deze bij gebrek aan ander aas op het schaap afkomt.

-Deze maatregelen blijven net zo lang van kracht  totdat men denkt dat er geen wolven meer over zijn

- De houtvesters dienen te letten op het nakomen van dit besluit

 


BWB1872_0203wolf.jpg

 

Naderhand horen we nauwelijks meer iets van wolven in onze streek.

In maart 1872, wordt hier op de Heihoek in Escharen nog een oude wolfshond afgeschoten. 

Omdat dit toen al een bijzonderheid was verschijnt bovenstaand artikel in verschillende kranten.

Het blijkt later te gaan om de laatste wolf van Brabant, die hier in Escharen gedood is.

 

Uit onderzoek in het Gemeentearchief van Escharen, het bevolkingsregister, komen we het volgende te weten over deze W. Cornelissen:
Op de huidige Graafschedijk 58, woonde tussen 1870 en 1880, het gezin van Laurens Cornelissen, stroodekker van beroep. (Zijn kinderen krijgen later daarom allemaal de bijnaam 'den dekker'.)

Laurens Cornelissen had een thuiswonende zoon, Willem, geboren in 1833.

Deze familie Cornelissen woonde echter op  'Het Hommerzaad' bij 'Het Hei eind'.

Toch moet het bijna zeker om deze familie gaan omdat er verder in Escharen in 1872 volgens het bevolkingsregister, geen andere familie Cornelissen woonde in dat gebied.

Dus we concluderen dat W. Cornelissen woonde op het Het Hommerzaad en de wolf ving op het Hei-eind, vlakbij zijn boerderij en niet op den Heihoek.