Esters Heem » Bodemvondsten » Muntvondst 1897

muntvondst in Escharen


Sensationele muntvondst in Escharen uit het jaar 1897.

Een pater Jezuïet van het klooster Mariëndaal in Velp schrijft over deze sensationele muntvondst een uitgebreid verslag:

C. Wilde, Een belangrijke Muntvondst te Escharen,

in: De Studiën jg. 30 (1897).

Zijn studieverslag nemen we als leidraad voor deze pagina.

 

De manier waarop het artikel van Wilde begint, biedt ons een aardige gelegenheid om het Es­charen van 120 jaar geleden

voor te stellen:

"Wie den weg volgt, die langs den linker Maasoever van Grave naar Kuik leidt, ziet even buiten eerst genoemde plaats op ongeveer een half uur afstands ter rechterzijde zich een kerk met ranken toren verheffen. Met pastorie, raadhuis, school en eenige boerenwoningen vormt zij de kom der uitgestrekte gemeente Escharen, een eenvoudig, vrij welvarend dorp van omtrent duizend inwoners. Het dichtst bewoonde deel der gemeente maakt met het oostelijk gelegen Gassel, den Gasselschen of Escharenschen polder uit. Deze verheft zich omtrent 1 1/2  tot 2 meter boven de traverse der Beersche Maas, tegen wier water hij in het Zuid-Westen en Westen door een lichten dijk wordt verdedigd, terwijl de veel zwaardere Maasdijk hem in het Noorden tegen overstrooming beschermt".


fragment uit  'Een belangrijke Muntvondst te Escharen', door C. Wilde, 1897.


Plattegrond van de dorpskom van Escharen rond het jaar 1900.


Wat was er in 1897 gebeurd?

Joannes Franciscus Schamp was land­bouwer en woonde aan de Zanddijk in Escharen. Hij was gehuwd en vader van zes dochters en twee zonen. Deze laatsten, Wil­lem (geb. 1861) en Johannes Franciscus (geb. 1869), waren op vrijdag 16 april 1897 (volgens pater Wilde op donderdagmorgen 15 april) bezig met afgraven van een akker, naast hun boerderij, op ongeveer honderd meter ten zuidwesten van de St. Lam­bertuskerk.

 

De eerste kar met zand werd naar de stal gereden en leeggestort om daarmee de vloer te bestrooien. Willem pakte iets op wat hij eerst voor een steen hield. Groot was het voor­werp niet. Toen het later was schoon­gemaakt bleek het om een potje te gaan: don­kergrijs van kleur, hard gebakken van fijne klei. Op de bodem waren sporen zichtbaar die in de richting van een draaischijf wezen. De hoogte van het potje was slechts 7,5 cm. 

Geen wonder dat dit potje dat eeuwenlang in de grond had ge­zeten, maar niet dieper dan zestig centimeter, niet onmiddellijk herkend werd. Maar toen hij het voorwerp nog eens goed bekeek, werd Willem zich ervan bewust wat hij in handen had.



Hij klopte het potje uit tegen de muur en toen vielen er tientallen gouden munten in het zand. “Voor­ uit, Frans, rapen, ieder voor zich!”, riep hij zijn broer toe en de buit verdween in hun zakken.

Al de volgende dag werd een van de munten in een goudwinkeltje in Grave getoond om te la­ten onderzoeken of alles ‘echt’ was.

En een paar dagen later kwam een andere munt voor f 1,50 in bezit van een Graafse goudsmid.

 

Pastoor E.A. van Hooff 1849-1911

De toenmalige Pastoor E. van Hooff van Escharen, hoorde van de gevonden munten. Zijn historische zin en warme belangstelling voor de wetenschap deed hem een gewichtige vondst vermoeden. Hij verzocht daarom de jongens op de pastorie en kreeg te munten te zien en mocht ze in bewaring nemen.

Pater Wilde schrijft hierover later: “Aan zijne welwillendheid danken we het, dat de merkwaardige penningen behouden bleven en aan een nauwkeurig onderzoek wer­den onderworpen.” 

Patoor van Hooff zoekt contact met Pater C. Wilde, Jezuïet op Marïendaal te Velp. Pater Wilde schrijft uiteindelijk in 1897 een verslag van deze grote muntvondst. Hierbij krijgt hij steun en hulp van H.J. de Dompierre de Chaufepié destijds directeur van het  Koninklijk Penningkabinet van Den Haag.

De echtheid van de vondst werd echter aangevochten. De penningen waren dermate zeldzaam en uniek dat men twijfelde over de herkomst. Redenen voor heren Wilde en De Dompierre de Chaufepié om de muntvondst zelf en de omstandigheden van de vondst notarieel vast te laten leggen op 21 september 1897 door notaris A.A.A. Stael te Grave. Hierbij waren de landbouwers Frans en Willem Schamp en enkele getuigen(pastoor van Hooff?) aanwezig. Zij moesten de juistheid van het verslag bevestigen.

Doordat deze muntvondst en ook de toedracht hiervan in een akte notarieel is vast te leggen maakte het  decennia later mogelijk om weer een onderzoek te starten. (zie Lafaurie in 1956)


Knikpotje

Het muntpotje van Frankisch aardewerk, waarin de munten zijn begraven en in 1897 in Escharen, zijn gevonden is thans in het bezit van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.


Uiteindelijk ging het hier om de grootste muntvondst uit de Merovingische tijd in Nederland: 66 gouden munten!

De stukken bleken bij nadere beschouwing, op een enkele uitzondering na, van Frankische oorsprong te zijn en dagtekenen, voorzover kon worden nagegaan, van de vijfde tot de zevende eeuw.

Elf zijn solidi, de gewone gouden standaardmunt van die tijden. Daarvan is er één te Constantinopel

geslagen; hij vertoont de net uitgevoerde beeltenis van keizer Zeno (474-491). De andere zijn navolgingen, naslagen, van Byzantijnse munten, vermoedelijk alle in het Frankische rijk vervaardigd. Behalve enige niet te ontcijferen lettertekens zien wij daarop de namen der keizers Anastasius l (491-518), Justinus l (518-527), Justinianus l (527-565), Justinus II (565-578) en Mauricius Tiberius (582-602).

De vierenvijftig overige stukken zijn zogenaamde trientes (ter waarde van een derde solidus) van zeer verschillende typen, grootte en gewicht. Ook hieronder bevinden zich veel naslagen, de meeste echter dragen niet meer de naam van een Oostromeinse of Byzantijnse keizer, maar bij een zeer

gebrekkig uitgevoerde kop geven zij veelal de naam van een muntmeester te lezen.

 Sommige munten echter zijn zo goed als onmogelijk te lezen of te herkennen.

 

Het gezamenlijk gewicht van de munten bedroeg ongeveer 116 gram en het totaal had toen een goudwaarde van om en nabij de 180 gulden.

 

Wanneer de munten in Escharen in de grond zijn verstopt, is een vraag die de Wilde en De Dompierre menen te hebben opgelost uit de datering der gevonden stukken. Gedacht zou moeten worden aan de tijd tussen 680 en 720. Een periode waarin de oorlogen tussen Franken en Friezen zeer veelvuldig waren. De eigenaar, kennelijk een vermogend man, heeft waarschijnlijk uit vrees voor beroving de munten willen verbergen om ze in betere tijden weer op te graven. Van het laatste is het blijkbaar nimmer gekomen.

 

Een groot deel van de munten kwam uiteindelijk terecht in de Munt­- en Penningkabinetten van

‘s ­Graven­hage en Brussel.

In 1982 verschijnt in het Belgisch tijdschrift voor numismatiek en zegelkunde een catalogus van de verzameling Merovingsche munten in het Koninklijk Penningkabinet te Brussel. Hugo Vanhoudt beschrijft hierin de Escharense muntvondst.

Zie een uittreksel van dit schrijven hieronder.


PDF
Hugo Vanhoudt, Merovingische munten,1982
PDF [1.1 MB]

Pater de Wilde trekt in zijn beschrijving van de muntvondst in 1897 ook conclusies.

Wat zegt deze muntvondst volgens hem over de historie van Escharen? 

De eigenaar moet welgesteld zijn geweest: 'Het geld was immers in die dagen veel minder verspreid dan thans; veelal voorzag men in de dagelijksche behoeften door de opbrengst zijner landerijen en slechts het weinig, wat daaraan ontbrak, werd door den handel aangevuld '. (Blz. 28)

Escharen moet toen in de zevende en achtste eeuw al een aanzienlijke nederzetting zijn geweest.

De grote Romeinse weg van Maastricht naar Nijmegen over Cuijk heeft waarschijnlijk hier in Escharen een zijtak gehad die naar Den Bosch liep.

(Meerdere bodemvondsten hier in Escharen zoals de Koperen Dubbelbijl en de Bronzen plaat ondersteunen het bestaan van een Romeinse weg, een 'Heerstraet', hier door Escharen.)

Lees hieronder een fragment uit het studieverslag Pater Jezuïet C. Wilde.

 



 

De muntvondst kreeg in de pers, in binnen- en buitenland, veel publiciteit.

 

Handelsblad 18-09-1897:


Le trésor d’Escharen

Een van de meest diepgaande studies staat op naam van Professor Jean Lafourie: Le trésor d’Escharen (Pays­ Bas), in: Revue Numismatique, Paris (1959/60).

 
De strijd, welke rond 1900 over de echtheid van de muntvondst te Escharen is gevoerd, is inmiddels opgeheven. De numismatici van tegenwoordig denken er heel anders over dan hun voorgangers. De wetenschap en de kennis van de oude munten is — mede door nieuwe vondsten elders — vooruit gegaan.
Prof. Jean Lafaurie, verbonden aan de Sorbonne en aan het Cabinet des Medailles werd in 1957 bereid gevonden een opstel over twee belangrijke Nederlandse muntvondsten te schrijvenHet opstel gaat over een inzending van de Koninklijke Penningkabinetten van Nederland en België, die — aldus Prof. Lafaurie — archeologisch en economisch van groot belang zijn.
De vondst die te Escharen (N.B.) in 1897 te voorschijn is gekomen, is gepubliceerd door Dr. C. Wilde en Dr. J.J. de Dompierre de Chaufepie in 1898. Maar Maurice Prou en Raymond Serrure verklaarden de stukken, waaruit hij bestond voor vals.
Prof. Lafaurie heeft in 1959 deze vondst in Brussel en Den Haag zorgvuldig onderzocht en heeft zich van de absolute echtheid kunnen overtuigen.
 
Zijn bevindingen staan beschreven in zijn studie met als titel: 'Le trésor d'Escharen. (De schat van Escharen)

 


Ook in het tijdschrift 'De Geuzepenning' schrijft Lafaurie hierover een artikel:

PDF
Muntvondst Escharen, J. Lafaurie, 1958.
PDF [748.8 KB]

Deze muntvondst van Escharen is van groot archeologisch en historisch belang. Heden ten dage wordt deze nog vaak als bron gebruikt. De muntvondst zegt namelijk niet alleen iets over de oudheid en aanzien van Escharen maar geeft ons bijvoorbeeld ook inzicht over de toen gebruikelijke handelsroutes. De gevonden munten, de jaartallen en de herkomst hiervan vertellen ons ook een verhaal over de steden waar ze ooit geslagen zijn.


Bidprentjes van familie Schamp in 1897 wonende op de Zanddijk te Escharen:


Zanddijk 1967: Het perceel van de muntvondst.