Esters Heem » Bodemvondsten » Muntvondst

muntvondst


Sensationele muntvondst uit het jaar 1897.

Een pater Jezuïet van het klooster Mariëndaal in Velp schrijft er een uitgebreide studie over: C. Wilde, Een belangrijke Muntvondst te Escharen, in: De Studiën jg. 30 (1897).

De manier waarop het artikel van Wilde begint, biedt ons een aardige gelegenheid om het Es­charen van een eeuw geleden  voor te stellen:

 

"Wie den weg volgt, die langs den linker Maasoever van Grave naar Kuik leidt, ziet even buiten eerst genoemde plaats op ongeveer een half uur afstands ter rechterzijde zich een kerk met ranken toren verheffen. Met pastorie, raadhuis, school en eenige boerenwoningen vormt zij de kom der uitgestrekte gemeente Escharen, een eenvoudig, vrij welvarend dorp van omtrent duizend inwoners. Het dichtst bewoonde deel der gemeente maakt met het oostelijk gelegen Gassel, den Gasselschen of Escharenschen polder uit. Deze verheft zich omtrent 1 1/2  tot 2 meter boven de traverse der Beersche Maas, tegen wier water hij in het Zuid-Westen en Westen door een lichten dijk wordt verdedigd, terwijl de veel zwaardere Maasdijk hem in het Noorden tegen overstrooming beschermt".



Een van de meest diepgaande studies staat op naam van J. Lafourie: Le trésor d’Escharen (Pays­ Bas), in: Revue Numismatique, Paris (1959/60).
Al aan het be­gin van zijn fundamentele bijdrage moet hij kwijt tot welk inzicht hij door zijn studie is gekomen, namelijk dat de vondst te Escharen ‘beschouwd kan worden als een van de meest belangrijke historische en economische bewijstukken uit de tijd der Merovingen’.



Wat was er in 1897 gebeurd?

Op 21september van dat jaar zijn de muntvondst zelf en de omstandigheden van de vondst notarieel vastge­legd door notaris Stael te Grave.

Joannes Franciscus Schamp was land­bouwer en woonde aan de Zanddijk in Escharen. Hij was gehuwd en vader van zes dochters en twee zonen. Deze laatsten, Wil­lem (geb. 1861) en Johannes Franciscus (geb. 1869), waren op vrijdag 16 april 1897 (volgens pater Wilde op donderdagmorgen 15 april) bezig met afgraven van een akker, naast hun boerderij, op ongeveer honderd meter ten zuidwesten van de St. Lam­bertuskerk.

De eerste kar met zand werd naar de stal gereden en leeggestort om daarmee de vloer te bestrooien. Willem pakte iets op wat hij eerst voor een steen hield. Groot was het voor­werp niet. Toen het later was schoon­gemaakt bleek het om een potje te gaan: don­kergrijs van kleur, hard gebakken van fijne klei. Op de bodem waren sporen zichtbaar die in de richting van een draaischijf wezen. De hoogte van het potje was slechts 7,5 cm. 

Geen wonder dat dit potje dat eeuwenlang in de grond had ge­zeten, maar niet dieper dan zestig centimeter, niet onmiddellijk herkend werd. Maar toen hij het voorwerp nog eens goed bekeek, werd Willem zich ervan bewust wat hij in handen had.



Hij klopte het potje uit tegen de muur en toen vielen er tientallen gouden munten in het zand. “Voor­ uit, Frans, rapen, ieder voor zich!”, riep hij zijn broer toe en de buit verdween in hun zakken.

Al de volgende dag werd 1 van de munten in een goudwinkeltje in Grave getoond om te la­ten onderzoeken of alles ‘echt’ was. En een paar dagen later kwam een andere munt voor f 1,50 in bezit van een Graafse goudsmid.

De toenmalige pastoor Van Hooff van Escharen, hoorde van de gevonden munten.  Zijn historische zin en warme belangstelling voor de wetenschap deed hem een gewichtige vondst vermoeden. Hij verzocht de jongens op de pastorie en kreeg te munten te zien en mocht ze in bewaring nemen. Pater Wilde schrijft: “Aan zijne welwillendheid danken we het, dat de merkwaardige penningen behouden bleven en aan een nauwkeurig onderzoek wer­den onderworpen.” 


Knikpotje

Het muntpotje van Frankisch aardewerk, waarin de munten zijn begraven en in 1897 in Escharen, zijn gevonden is thans in het bezit van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.


Het ging hier om de grootste muntvondst uit de Merovingische tijd in Nederland: 66 gouden munten!

De munten bleken van Frankischen oorsprong te zijn en dagtekenen van de 5e tot 7e eeuw.

Elf munten zijn 'solidi' (gouden standaard munt) en de andere 54 stukken waren 'zoogen' (trientes ) van zeer verschillende type, grootte en gewicht. Er zaten heel bijzondere munten tussen. Bijvoorbeeld de munten nr.3 en nr.9. Van deze muntsoort was, tot die tijd slechts één exemplaar bekend, dat in de keizerlijke penningkabinet te Wenen werd bewaard. Te Escharen zijn niet minder dan 6 van deze zeldzame munten gevonden.

Het gezamenlijk gewicht van de munten bedroeg ongeveer 116 gram, en het totaal had toen een goud waarde van om en nabij de 180 gulden.

Deze schat moet ergens tussen de jaren 680 en 720 verborgen zijn, om wat voor reden dan ook.

 

Een groot deel van de munten kwam terecht in de Munt­- en Penningkabinetten van ‘s ­Graven­hage en Brussel.



Pater de Wilde heeft ook geschreven over de conclusies die men kan trekken uit de muntvondst. Wat zegt dit over de historie van Escharen? Lees het letterlijke verslag hierboven.

De eigenaar moet niet alleen erg welgesteld zijn geweest maar de vondst maakt het steeds waarschijnlijker dat Escharen aan een Romeinse weg, een 'Heerstraet' , heeft gelegen.

De vondst kreeg in de pers, in binnen- en buitenland, veel publiciteit.


Schermafbeelding2015-03-13om101206.png
Schermafbeelding2015-03-13om101326.png
Nijmegen1930.jpg