Beersche Maas 1920


Tekst: Jo Cuppen (1916-19…)
uit: Stamboom fam. Cuppen op Den Elsbosch, ± 1640 - 1988
Vugth 1993

 

Jo Cuppen is een zoon van Johannes, Jan, Cuppen (1886-1974) en Arnoldina Peeters (1884-1951)
Zij woonden op boerderij Den Elsbosch, Rotscheweg 3.


Beersche Maas
Najaar 1920:

Regen en westerstorm. Men hoorde: “De Maas is om.”
Achter de dijk stroomde het water in en geweldige vaart voorbij. Op de Hoge Burcht liepen hazen angstig heen en weer. Rondom hen was alles water, alleen de pas gesnoeide knotlinden staken boven het water uit. Je kon je op de dijk bijna niet staande houden, zo stormde het.
Moeke stond in de zijdeur en zei:” Luister eens, je kunt het water uit de Maas hier horen.” Ik hoorde het, Moeke was bang.
Er volgde weer een dag van regen en storm. Tegen de avond mocht ik met Moeke naar buurman Kuijpers. Bij windvlagen sloeg het water over de dijk. Alles stond blank, de knotlinden waren kopje-onder gegaan. Regelmatig kwam de ronde buik van een varken even boven de golven uit. Het dreef sneller dan het ooit had kunnen lopen.
We liepen naast elkaar over de twee grasrichels tussen de hoefslag en de karrensporen. Die waren te modderig. Bij Kuijpers hebben ze ons Moeke gerust kunnen stellen met: “Toen en toen was het veel erger. De dijk ziet er nog goed uit.” Toen we weer weggingen vroeg ons Moeke: ” Jullie komen toch zeker helpen als er bij ons vannacht iets gebeurt?”
Nauwelijks waren we thuis of de keuken stond vol ooms met hun knechten. Ze probeerden vader over te halen weg te vluchten want dat wilde grootmoeke Peeters. Vader stemde in. Met wat spulletjes en onder geleide van de dienstmeid, vertrok ik over de dijk naar Grootmoeke.
Vlak bij Kuijpers keek ik nog even om. Onze beesten, vier aan vier aaneen gebonden, liepen juist naast een oom of knecht ons erf af, de veldweg in. Maar het water stroomde van de boomgaard over die weg naar den Dries. De beesten durfden niet verder. Oom Harrie, die met vier beesten voor liep, keek even om en sprong op onze oudste koe, Pieta. De voorste rij zette er de spurt in en de rest volgde gedwee. Vader, Moeke en mijn kleine broertje volgden in ons rijtuig, één paard er voor en twee paarden er achter.
Bij grootmoeke in het dorp sliepen mijn broertje en ik heel alleen op de grote zolder. Ik was helemaal niet bang: we waren immers allemaal bijeen en het water kon ons hier geen kwaad doen.
Toen het water achter de dijk weer weg was en thuis veel troep was opgeruimd, mochten eerst de beesten naar huis. Ook de kalfjes, de varkens en de kippen werden thuis bezorgd. Mensen uit de buurt, die hoger woonden dan wij, hadden na onze uittocht tot diep in de nacht gewerkt om Jan Cuppen te helpen. Maar den Dries bleef nog lang blank staan: ’t water kon niet weg, moest wegsterven.

In de cirkel boerderij Den Elsbosch aan de Rotscheweg 3.


Oktober 1925
Eind oktober was het weer raak. De kanonnen in Grave bulderden.
Mijn oudste broer fietste naar Gassel om te zien of onze vaarzen gevaar liepen. Hij zette de fiets op de oostelijke dijk en waadde ruim een kilometer door het snel stromende water. Alles stond blank. Ze stonden op een eilandje hem hoopvol aan te staren. Hij opende het hek en traag kwam er beweging in de kudde. Met de oudste vaars voorop volgden ze correct en gewillig.
Onder ruime belangstelling trok de processie dwars door de kom van Gassel. Buiten Gassel kwam vader hen tegen. Het ging goed, zo maar los lopen.
Bijna thuis op de Rotscheweg reed de veldwachter hen achterop. Hij moest van de burgemeester procesverbaal opmaken. Deze laatste was baron en punctueel elke week één uur op het gemeentehuis aanwezig.
Voor de rechtbank in Den Bosch deed vader zijn verhaal. “Betaal maar een rijksdaalder, Cuppen. Dan zijn we van alles af.”

 

Voorjaar 1926
Na het avondeten, het rozenhoedje en het avondgebed zei vader: “Ik ga even op de dijk kijken.” De twee oudste zoons gingen mee.Op de karwei, die achter de schuur de dijk opliep, kwam het water ons al tegen. Gauw werden palen, een zware hamer en bossen stro uit de schuur gehaald. Het werd een zware strijd. Talloze graszoden werden naast de omhooglopende karwei gesneden om de wering stevig en waterdicht te krijgen. Overal waar nodig was maakten we mollenputjes.
Nu en dan werd er warme koffie gebracht of wat lekkers. Toen het ál te laat werd, stuurde vader ons naar bed met de boodschap de volgende morgen bij de buren om hulp te vragen. Niemand durfde.
Vader is 48 uur niet uit de kleren geweest.
Enkele maanden later moest vader weer in Den Bosch komen. Bij wie? Waarom toch?
’s Avonds laat kwam hij thuis en keek moeke veelzeggend aan. Zij glimlachte en borduurde verder.
Na zijn dood op 24-11-1974 vonden we het antwoord op beide vragen: Op het provinciehuis in Den Bosch had hij wegens heldhaftig gedrag tijdens het hoogwater, een onderscheiding ontvangen.


Meer lezen kunt op onze pagina: De Beersche Maas.