Esters Heem » tarieven

Kerkelijke tarieven rond 1750


Pastoor Joannes Franciscus Bloemarts diende de parochie H. Lambertus langer dan een halve eeuw. Vanaf het jaar 1725 tot aan zijn dood in 1779 was hij pastoor in Escharen. Bloemarts staat omschreven als ‘een ijvervollen pastoor’. Bij zijn aantreden moest hij orde op zaken stellen want zijn voorgangers hadden de administratie niet op orde.

Zo is hij in 1725 ook begonnen met een nieuw doopboek. (Zie pagina Doopboek 1725). 

Van alle losse archiefstukken heeft hij nieuwe aantekeningen gemaakt in een door hem aangelegd nieuw aantekenboek.

 

Portret pastoor Bloemaerts, 1776.

 

Op het BHIC vonden we dit aantekenboek onder de noemer: Register van inkomsten en gerechtigdheden van de pastoor, welke zijn toegestaan door de schepenen van Escharen op 17 september 1725. (7053 Parochie H. Lambertus Escharen, 1414-1990, archiefnummer 153)

Uit dit bijzondere naslagwerk hebben we verschillende scans mogen maken. Waaronder dus onderstaande pagina over de kerkelijke tarieven. Door deze tekst komen we niet alleen de toen geldende tarieven te weten, maar krijgen we ook een beeld van de kerkelijke rituelen en gebruiken in die tijdsperiode.


Transcriptie van deze pagina uit het aantekenboek 1725-1779:

Jura Stola

 

voor een maand bidden voor zieken of dooden      

voor de begraeffenisse der kinders                      

voor het doopen der kinders                                  

voor de kraemvrouen in te haelen                       

voor het berighten der ziecken                               

voor de begraeffenisse van groote lijcke als het baerkleet van de gilt gebruijckt wort                       

als de groote lijcke het baerkleet van de kerk gebruijcken is het voor den pastoor  voor de kerk 6 stu voor het baerkleet den pastoor aen koster

voor het trouen                                              

voor een het singe van een jaergeteij

waer van den coster moet hebbe 6 stu

alle communicanten geeven op Paeschen en op Kersmis voor den pastoor ieder persoon eenen stuijver noghtans met deeze conditie dat den pastoor aen de communicanten den wijn geeft en de kercken tracteert                                                            voor het zielboeck dat sondaeghs en s’heijligen daeghs naer de eerstemis en hooghmis wort afgeleese is voor den pastoor voor ieder persoon (op het jaer een rixdaelder maar om de schaersheijt van tijt wordt het gedaen voor 6 schellingen) 

voor het zielboeck dat sondaeghs na het sermoon wort afgeleese is voor ieder persoon 6 stuijv 

voor de huwberigt roepen                                                

voor het opslaen van het doopboeck 6 st.             

voor het scrieve van eenen doopbrief 12 st. 

f  -  6 -

f  - 12 -

f  -  4 -

f  -  3 -

f  -  6 -

f 1 - 10 -

 

f 1 - 10 -

f  -  6 -

f  -  12 -

f 1 - 11 -

 

 

f  -   1 -

  

 

f 1- 10 -

 

 

f  -  6 -

f  - 18 -

f  -  6 -

f  - 12 -

 

den pastor heeft alle jaren den omgank van boter en rogge in de gemeente

van het vlees plagt hij ook eenen omgank te hebben, maar mijnen voorsaet heeft verzogt dat ze het zoude ongezoute brengen, maar komt zoo goet niet bij den pastoor trecht

ook den offer op den altaer en uijt de busch onder beelde van ons lieve vrouw en S. Machut.


Scan van de originele pagina uit het aantekenboek van Pastoor Bloemaerts.


- Jura Stola

Betekent letterlijk het 'recht van de stola-drager'. Kosten die men aan een stola-drager, de priester, verschuldigd was aangaande doop, trouw en rouw etc. Tegenwoordig spreek men van kerkrechten of kerkelijke tarieven.

 

- voor een maand bidden voor zieken of doden  - 6 stuivers

 

- voor het begraven van kinderen - 12 stuivers

Gedoopte kinderen, onder de zeven jaar kregen bij de uitvaart een Engelenmis. In plaats van zwart was wit dan de rouwkleur. Bij de plechtigheid begeleiden meisjes, in witte kleding de kist. Op het kerkhof kreeg het overleden kind in de kinderhoek, een graf met een blauw kruisje. Maar als pasgeboren kinderen ongedoopt stierven, kregen zij geen uitvaart in de kerk. Ze mochten zelfs niet in gewijde grond begraven worden en kregen ook geen kruis. In Escharen lagen deze kinderen bij de ingang links achter een hekwerk, langs de muur van het kerkhof.

 

- voor het dopen van kinderen - 4 stuivers

Zodra een kind uit een katholiek gezin geboren was moest het zo snel mogelijk gedoopt worden, liefst nog op dezelfde dag. Het Heilig Doopsel, het eerste sacrament, was namelijk een voorwaarde om in de hemel te komen. Een gevolg van dit vroege dopen was dat de moeder nooit bij het doopsel aanwezig kon zijn. In haar plaats waren de doopgetuigen, later de peter en meter genoemd, bij het doopsel aanwezig. Dit waren bijna altijd familieleden.

 

- voor het 'inhalen' van de de kraamvrouw - 3 stuivers

Deze kerkgang was het eerste kerkbezoek van de moeder na een bevalling. Ze moest achter in de kerk wachten tot de priester haar een zegening gaf. Bij het Maria altaar moest ze bidden om God dank te zeggen voor de geboorte van haar kind.

  

voor het bedienen van stervenden - 6 stuivers

Voor ernstig zieken en mensen die op sterven liggen, is er de ziekenzalving, ook wel de laatste sacramenten genoemd. In de volksmond heette dit 'bedienen'. Het is een ritueel van vergeving van de zonden, waarbij iemand gezalfd wordt ten teken van Gods vergeving. Men kon meerdere malen bediend worden. Tijdens de eucharistieviering werd er voor deze zieke parochianen gebeden.

 

- voor de begrafenis van volwassenen als het 'baarkleed' van het Gilde gebruikt wordt  - 1 gulden en 10 stuivers 

Het was in die tijd de gewoonte om de lijkkist en lijkbaar te bedekken met een 'baarkleed'. Uit bovenste aantekening kunnen we concluderen dat ons St. Anthonius Abt Gilde een eigen baarkleed had. Het Gilde speelde een belangrijke rol bij begrafenissen, wellicht was het wel hun taak om de uitvaart te regelen. In een aantekening van Dhr. Jolles die het archief van het Gilde van Escharen in 1933 bekeken heeft, lezen we het volgende: Het gilde rekende vijf stuivers per drager voor een begrafenis 'ende die de pest stierven tien stuyvers'. Bij de brand in 1941 van het pand Van Raay is het gilde-archief verloren gegaan. Anders hadden we daarin beslist meer kunnen lezen of de rol van het Gilde bij begrafenissen.

Het baarkleed van het Gilde zal zoals het toen gebruikelijk was, van een mooie zware zwarte stof geweest zijn. Wellicht met een borduursel van de patroonheilige St. Anthonius en misschien hingen er aan het baarkleed nog wel enkele begrafenisschilden. Voor het gebruik van dit baarkleed zal ook het Gilde een vergoeding gevraagd hebben.

 

 als een volwassen overledene het 'baarkleed' van de kerk gebruikt is het voor de pastoor/de kerk - 1 gulden en 10 stuivers plus 6 stuivers voor het baarkleed, de pastoor betaald dit aan de koster

Na het overlijden wordt er in de kerk een avondwake en een requiemmis gehouden. Avondwake en uitvaart staan in het teken van de overgang van de ziel naar de hemel. De kerk leert dat het hiernamaals bestaat uit het vagevuur, de hemel en de hel. Het vagevuur geldt als een louterende tussenfase, waar mensen voor hun zonden moeten boeten, voordat ze tot de hemel worden toegelaten. Het bidden voor de zielen in het vagevuur was voor de nabestaanden dus een serieuze opdracht. Dit gebeurde door het bidden van aflaatgebeden. Zie hieronder twee voorbeelden.

Dat de koster hier 6 stuivers krijgt voor gebruik van het baarkleed zal waarschijnlijk zijn doordat de koster voor het beheer en onderhoud  zorg droeg. Het zwarte baarkleed van de kerk, zal waarschijnlijk versierd zijn geweest, met een kruis in brokaatweefsel bijvoorbeeld.



voor het trouwen  - 12 stuivers      

Een huwelijksplechtigheid kostte 12 stuivers. Bij de pastoor gingen de verloofden hun aanstaande huwelijk 'aantekenen'. De pastoor onderzocht of er geen huwelijksbeletselen waren. Met een beetje pech werd hiervoor ook de catechismus overhoord. Ook moest de doopbrief overhandigd worden, wat 12 stuivers kostte. Verder moest drie maal het voorgenomen huwelijk in de kerk afgekondigd worden, 18 stuivers. In totaal bedroegen de kosten van een huwelijk dus 42 stuivers, of wel 2 gulden en 2 stuivers. Trouwen was dus niet goedkoop, voor het jaar 1750 was dit immers een fors bedrag. De trouwplechtigheid vond altijd plaats in de parochiekerk van de  bruid.

 

- voor een gezongen H.Mis van een jaargetijde  - 1 gulden en 11 stuivers waarvan de koster 6 stuivers krijgt

Een overledene kan tijdens een eucharistieviering herdacht worden. Een 'jaargetijde' wordt gehouden de jaren daarna rondom de datum van overlijden. Dat de koster hiervoor ook 6 stuivers krijgt zal waarschijnlijk zijn omdat het om een gezongen kerkdienst gaat. De koster was meestal ook de organist en voorzanger.

 

alle communicanten geven op Pasen en op Kerstmis per persoon aan de pastoor een stuiver  met de voorwaarde dat de pastoor aan de communicanten de wijn geeft en de kerkgangers tracteert  

????

 

-  voor het 'zielboeck' dat op zon- en feestdagen na de eerste mis en hoogmis wordt afgelezen krijgt de pastoor per persoon - 1 gulden en 10 stuivers (op het jaer een rixdaelder maar om de schaersheijt van tijt wordt het gedaen voor 6 schellingen) 

Het aflezen van het 'Zielboeck' was dus niet goedkoop. Het kostte 1 gulden en 10 stuivers (30 stuivers). Voor een jaar was dat vastgesteld op een 'rixdaelder', is 50 stuivers. Rond 1750 was er blijkbaar veel armoede onder de parochianen ('om de schaersheijt van tijt') want het tarief werd verlaagd naar 6 schellingen. Een schelling was een zilvermunt ter waarde van zes stuivers. Er hoefde toen dus nog maar 36 stuivers i.p.v. 50 stuivers betaald te worden.

 

voor het zielboeck dat sondaeghs na het sermoon wort afgeleese is voor ieder persoon 6 stuijv 

 Als er voor een overledene een mis werd opgedragen, een misintentie dus, dan werd zijn naam na het sermoon, de preek, afgelezen. Dit kostte zes stuivers. In 'het ziekboeck' van de kerk stonden alle namen van overledenen van de parochie.

 

voor de huwberigt roepen 18 st.                                            

Een voorgenomen huwelijk werd door de pastoor aangekondigd in de hoogmis van de drie daaraan voorafgaande zondagen. Dat waren 'de roepen', het aanstaande huwelijk werd afgeroepen. De parochianen werden gewezen op hun plicht elk mogelijk huwelijksbeletsel kenbaar te maken. Soms waren er beletsels waarvoor men dispensatie moest aanvragen, een ver verwantschap bijvoorbeeld.

In het kerkelijk jaar waren er twee perioden waarin niet getrouwd werd, de zogenaamde gesloten tijd: dit was de adventtijd (vanaf de 4e zondag voor Kerstmis) en de vastentijd (de 40 dagen voor Pasen).

 


aantekening uit het doopboek:

1772: Sibilla geboren op de Veegtes
23 Juli is gedoopt Sibilla wettige dochter van Petri Wolters en Barbara Thijssen.

Doopgetuigen: Gerardus Thijssen en Hermanna Thijssen.


- voor het opslaen van het doopboeck 6 st.

Voor de doopplechtigheid zelf was men 4 stuivers kwijt, zoals hierboven staat aangegeven. Een notitie hiervan in het doopboek kostte nog eens 6 stuivers. Deze aantekening was nodig als men later nog ooit een doopbrief nodig had. In totaal kostte een kind laten dopen dus 10 stuivers.

                      

- voor het scrieve van eenen doopbrief 12 stuivers      

Onder andere voor een kerkelijk huwelijk had men een doopbrief nodig, een bewijs dus dat men gedoopt was. Het was een soort van uittreksel uit het doopregister. De huwelijkspartner moest namelijk ook katholiek zijn en als bewijs moest men een doopbrief kunnen overleggen. Was dat niet het geval, dan moest de huwelijkskandidaat eerst tot het katholicisme overgaan.

 

- den pastor heeft alle jaren den omgank van boter en rogge in de gemeente

van het vlees plagt hij ook eenen omgank te hebben, maar mijnen voorsaet heeft verzogt dat ze het zoude ongezoute brengen, maar komt zoo goet niet bij den pastoor trecht

 

 

- ook den offer op den altaer en uijt de busch onder beelde van ons lieve vrouw en S. Machut.

.

 

Met 'den offer op den altaer' wordt waarschijnlijk de collecte bedoeld die tijdens een eucharistieviering gehouden werd. Deze inkomsten waren dus voor de pastoor, de parochiekerk.

Ook de opbrengst van de collectebussen onder het beeld van Onze Lieve Vrouw en het beeld van St. Machutus, waren dus voor de pastoor. Deze beelden hebben beiden een eigen altaar in de kerk gehad. Tegen betaling kon men hier een kaarsje aansteken?

Escharen is al sinds begin 16e eeuw een bedevaartsplaats van de Heilige Machutus. Op Tweede Pinksterdag kwamen ook toen al, van heinde en verre pelgrims om hier ter kerke te gaan. (zie pagina St. Machuut)

Over het Onze Lieve Vrouwke van Esteren werd al in 1423 gesproken. Ze werd vereerd en aangeroepen om genezing te krijgen voor zieke kinderen. Eeuwenlang was er in de parochie Mariaverering met aan haar opgedragen bedevaarten naar Escharen. De beeltenis van Maria zien we daarom  terug in het gemeentewapen van Escharen. En in het Logo van EstersHeem dus.